Visie



Media in de beklaagdenbank


Inleiding

,,Puttense zaak is opgelost, justitie juicht”, kopte De Pers in 2008. ,,Moordzaak Putten opgelost”, berichtte het AD. En Peter R. De Vries zei ‘blij te zijn voor de twee vroegere verdachten’. Nu was er eindelijk duidelijkheid, voegde De Vries eraan toe.
Strafrechtadvocaat Job Knoester refereert hiermee aan de geruchtmakende moordzaak in Putten, bekend als de ‘Puttense Moordzaak’ en de arrestatie van een nieuwe verdachte in deze zaak. De manier van berichtgeving doet hem de wenkbrauwen enigszins fronsen, want ‘is een verdachte niet onschuldig totdat het tegendeel bewezen is?’ Hij legt hiermee een verbinding met de journalistiek/media en stelt zich de vraag wie die media zou moeten controleren in hun berichtgeving binnen strafprocessen.
Knoester beklaagt zich over de mate van objectiviteit in verslaggeving binnen strafzaken. Die zou onvoldoende zijn en ook de zogenoemde serieuze media maken zich hier schuldig aan.’
Bedrijfsredacteur Marion Brepoels van justitie doet onderzoek naar de rol van media binnen het strafproces van Robert M., de hoofdverdachte in de omvangrijke Amsterdamse zedenzaak. Een van de zorgen die ze uit, is het scenario waarin de rechters zich laten leiden door tunnelvisie. Het proces is zeer complex waarin sprake is van veel slachtoffers en de aard van de misdaad niemand onberoerd laat. Daarbij, zo stelt ze, is de druk vanuit de media groot en stelt ze zichzelf de vraag hoe zich dat verhoudt tot de ethische en professionele normen binnen het rechtssysteem. Het is een verwijzing naar de rol die media in een zaak als deze inneemt en ze merkt op dat er ook in deze zaak veel wordt gespeculeerd en geconcludeerd.
Strafrechtanalist Wicher Wezinga vindt dat de ‘publieke opinie, gevoed door de media, een (te) grote stempel op deze zaak drukt en daardoor worden volgens hem de wettelijke spelregels niet zo nauw meer genomen.’ Hij gaat zelfs iets verder en stelt dat rechters zich te zeer laten beïnvloeden door de media.

Zomaar een paar voorbeelden van strafprocessen die de media haalden. Die media berichtten op hun eigen manier over de verschillende zaken, de toon verschilde ook per medium. En het is die toon van berichtgeving die ik ga onderzoeken en onder het licht breng. Ik wil onderzoeken óf en zo ja, in welke mate er sprake is van overdreven aandacht vanuit de pers voor strafzaken en zal ter illustratie voorbeelden gebruiken. De voorbeelden aan de hand van strafzaken vormen mijn leidraad, al zal ik er af en toe best van kunnen afwijken.
De term waar het in mijn betoog om draait, is ‘mediahypes’. Het begrip duidt aan wat ik wil onderzoeken en vormt de kern van mijn betoog. Wel of geen mediahypes en hoe onderbouw ik dit?
De volgende stelling vat samen wat ik ga onderzoeken en in mijn conclusie zal blijken of die stelling stand houdt of aangepast dient te worden:

Mediahetzes omtrent strafzaken en andere belangwekkende gebeurtenissen verworden tot mediahypes en doen afbreuk aan de objectiviteit van de media


Kerndeel

Krachttermen & superlatieven

Media spreken zich dikwijls uit in superlatieven om een boodschap over te brengen. Termen als ‘schokkend’ en ‘ramp van ongekende omvang’ worden gebruikt, om maar een paar voorbeelden te noemen. Een voorbeeld daarvan is de naam die de Telegraaf steevast gebruikte om Robert M. aan te duiden; ‘Het monster van Riga’. Weliswaar van een andere orde, maar niets aan de verbeelding overlatend. Een ander mooi voorbeeld in deze context, is die rondom de grote brand vorig jaar bij Moerdijk. Een bedrijf in chemische stoffen brandde toen volledig uit en de media spraken van een ‘giga-brand’ waarbij ‘mega’ veel giftige stoffen waren vrijgekomen. Kortom, het was een ‘chemisch inferno’. Minister Opstelten noemde het een ‘ramp’.
Universitair docent Mediastudies Peter Vasterman geeft helder weer hoe die beeldvorming vanuit de media verloopt. Naar zijn mening was er, als je de feiten en gevolgen op een rijtje zet, niet heel veel aan de hand. De brand een ramp noemen, zo zegt hij, gaat te ver. Er waren immers geen doden en gewonden.
In zijn uitleg hanteert hij het begrip ‘schandaalframe’: bij een grote brand als die bij Moerdijk construeren de media een beeld van het incident en dat beeld is vervolgens bepalend voor de vervolgberichtgeving. Dat noemt hij de ‘mediatisering’ van het voorval. Gekoppeld aan die beeldvorming is het frame dat nieuwswaarde heeft. Termen als schandaal, falende overheid en ernstige gezondheidsklachten passen binnen dit schandaalframe. Om niet te vergeten ook de hiervoor genoemde termen giga, chemisch inferno en ramp. Om dat alle media meedoen, ze zegt Vasterman, wordt het beeld dat is opgeroepen al snel het dominante beeld in de berichtgeving. Los van de vraag of de beweringen van de media nou terecht zijn of niet (de concentraties giftige stoffen die vrijkwamen bij de brand bleken achteraf mee te vallen), geeft dit voorbeeld goed weer hoe die beeldvorming tot stand komt. Het verhaal krijgt zo zijn hele eigen verloop, terwijl het op meerdere punten genuanceerder lag, veronderstelt Vasterman. De feiten die bekend waren en op zich niet direct gekoppeld konden worden aan de brand (zoals de oorzaak van de brand), worden waarheden en in dit geval uiteindelijk aantijgingen die lang in de media blijven rondzingen. Zo werd er al snel gesproken over een milieuschandaal en doofpotaffaire, terwijl het onderzoek nog in volle gang was.     

Om het voorbeeld van de zaak rond Robert M. weer aan te halen; Marion Brepoels heeft het in haar artikel over het woordgebruik van de media binnen de strafzaak. Ze schetst hiermee de manier waarop de samenleving (het publiek) en de media met een dergelijke strafzaak omgaan en legt een verbinding met het effect dat het, zo zegt ze bijna op waarschuwende toon, op de uitspraak kan hebben. Er werd en wordt flinke krachttaal gebruikt door de media in hun verslaggeving binnen dit proces. En juist die krachttaal kan bijdragen aan een eenzijdig en stereotype beeld van een strafproces, is zij van mening. Brepoels noemt als voorbeeld termen als ‘walgelijk, emotieloos, hard en gewetenloos’.


Sensatiezucht of eerlijke berichtgeving?

Wat opvalt aan de berichtgeving zoals het op gang kwam na de brand bij Moerdijk, is de stroom aan negatieve berichten en vermeende schandalen en doofpotten. Ik had het eerder over het schandaalframe waarin een neergezet beeld van de media zichzelf versterkt. Media en publiek lijken alle signalen die het bestaande beeld bevestigen aan te grijpen om hun gelijk aan te tonen. In het geval van de brand speelde de verwachting/perceptie die de bewoners hadden mee; hoezo geen gevaar voor de volksgezondheid? Er hangt immers een dikke zwarte wolk boven het dorp, die moet wel schadelijk zijn. Dat is volgens Vasterman de kloof tussen feitelijke en waargenomen gezondheidsrisico’s.
Deskundigen die op tv iets konden/wilden vertellen over schadelijke versterkten het beeld van een overheid die zijn mond houdt uit angst voor paniek. Die vertelde namelijk dat er geen gevaar voor de volksgezondheid was. De link naar een doofpotaffaire werd gemaakt, zo vervolgt Vasterman. De media berichten vervolgens over de verontrusting bij bewoners die ze volgens Vasterman zelf veroorzaakt hebben. Human interest ging een belangrijke rol spelen binnen de verslaggeving. Bewoners werd gevraagd of en hoe bezorgd ze waren nu hun dorp was getroffen door een giftige wolk. Dat het gif zich al heel snel verdunde toen het in aanraking kwam met de buitenlucht, werd niet genoemd.
Een dergelijk ‘schandaalframe’ is een aantrekkelijk onderwerp voor media. Juist, zo zegt Vasterman, omdat het nieuwswaarde heeft.
Het stempel van een sensatiebeluste pers ligt dan voor de hand.


Grote aandacht voor verdachte= minder hoge straf?

In het verlengde van voorgenoemde, ligt de media-aandacht die bepaalde zaken krijgen. Of het nou grote branden zijn (Moerdijk) of strafprocessen. In het geval van strafprocessen wil ik een ander sprekend voorbeeld aanhalen: De zaak rondom de omgekomen Cabaretière Floor van der Wal. Zij kwam vorig jaar om toen ze werd doodgereden in Amsterdam door een automobilist die daarbij niet vrijuit ging. We wisten als lezer al snel dat het om een Marokkaanse jongen ging en dat werd herhaaldelijk benadrukt. Ik zeg hierbij niet dat het noemen van afkomst slecht of goed is, maar je zou op zijn minst kunnen nadenken over de vraag of dat van belang was binnen deze zaak. Vooral Geenstijl.nl onderstreepte dit feit meerdere keren en hebben er negen keer een artikel aan gewijd.
De verontwaardiging over de toedracht van het ongeluk was groot, te meer omdat dader Mohammed S. na het ongeluk was doorgereden en meerdere verkeersregels had genegeerd. De eis van justitie was vier jaar celstraf, maar de uitspraak van de rechter viel een stuk lager uit; 18 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk. Wat meewoog in de verlaagde strafmaat, was de grote media-aandacht voor de zaak waardoor S. al enigszins veroordeeld leek. Daar kwam bij dat de rechter rekening hield met de achtergrond van de verdachte, Marokkaans, en de ‘schaamtecultuur’ die er bestaat binnen zijn cultuur. De verdachte, zo redeneerde de rechter, was daarom al behoorlijk gestraft voor zijn daad en daar hoorde een lagere gevangenisstraf bij.

De media is daarom in mijn ogen haar doel voorbij geschoten. Waar een lange(re) gevangenisstraf gewenst was door nabestaanden en Openbaar Ministerie, is er een lichtere straf gegeven. Het ironische eraan is dat de media daar debet aan is. De maatschappij, zo kan ik stellen, is daarbij niet gebaad en reageert verontwaardigt. Zoals de vader van het slachtoffer het laatst treffend zei: “Dit mes komt in mijn onderbuik”. En: “Die gast is nauwelijks een jaar uit de samenleving geweest, terwijl wij nog geen jaar geleden, door zijn toedoen, onze dochter naar het graf begeleidden.”   


Verdachte is de dader

Er wordt, zo beoogd auteur en strafrechtadvocaat Job Knoester, in bepaalde gevallen te snel voorbijgegaan aan de schuldvraag van verdachten. Denk aan het eerder genoemde voorbeeld van de Puttense moordzaak. Zonder op de stoel van de advocaat te gaan zitten, is het volgens ons rechtssysteem zo dat een verdachte pas schuldig is wanneer dat bewezen wordt Wetboek van strafrecht). In het geval van de Puttense moordzaak, bleek dat er twee onschuldigen jarenlang vastgezeten hebben. In 2008 werd een nieuwe verdachte opgepakt aan de hand van DNA-bewijs. Media brachten dit als de oplossing van een langslepende en geruchtmakende moordzaak, maar gingen voorbij aan het nieuwe onderzoek en proces dat gevoerd moesten gaan worden.
Het gevonden bewijsmateriaal en de feiten werkten in het nadeel van verdachte Ronald P. Ook dan is het volgens Knoester zaak dat de media zichzelf afvragen om wat voor een bewijsmateriaal het gaat en hoe die is verkregen. Enige terughoudendheid is dus geboden, aldus de jurist.

Voormalig directeur van kinderdagverblijf ’t Hofnarretje (de zaak Robert M.) Albert Drent is zelf ook verdachte geweest in de grote zedenzaak. Drent is daarbij neergezet als mededader, terwijl zijn rol in het misbruik niet was aangetoond. De media zijn daar mede schuldig aan, vindt Vasterman. Drent is overigens nooit vervolgd.


Privacy van dader en slachtoffer

De privacy van slachtoffer en voornamelijk verdachte is vaak een punt van discussie. Door de recente moord van de Haagse juwelier Stratmann (hij kwam om bij een overval) blies die discussie weer nieuw leven in. De verdachten, twee tieners, waren gevlucht en justitie achtte het nodig hun foto te verspreiden. Het had effect, de twee werden gepakt, maar de angst ontstond daardoor ook dat de twee ‘ter compensatie’ een lagere straf zouden krijgen. Iedereen had immers hun foto gezien waardoor een groot stuk anonimiteit verloren ging. Nu was het vrijgeven van de twee portretten een initiatief van justitie, niet van de media. In het kader van de discussie die de ronde deed past dit voorbeeld ook goed binnen de kaders van het kopje ‘Grote aandacht voor verdachte= minder straf’ van hierboven.

De zaak rond Sander V. benadrukt goed wat er met privacy bedoelt wordt. De politieagent uit Zoetermeer vermoordde twee jaar geleden zijn 12-jarige buurmeisje Milly Boele en begroef haar in zijn eigen tuin. Een week later werd ze gevonden en V. werd opgepakt. Die bekende direct, zaak gesloten. Toch hebben verschillende media zoals de Telegraaf en Geenstijl meerdere foto’s van V. afgedrukt zonder het bekende zwarte balkje voor de ogen. Er was geen aanleiding en noodzaak toe en toch gebeurde het.
Opvallend, zeker wanneer we de volgende drie richtlijnen in acht nemen zoals die staan opgesteld in de ‘code voor de journalistiek’ (Nederlandse Vereniging van Journalisten):

18. De journalist zal de privacy van personen niet verder aantasten dan in het kader van een open berichtgeving noodzakelijk is.
19. De journalist ontziet de privacy van slachtoffers, nabestaanden, patiënten maar ook van verdachten en daders door de algemene herkenbaarheid van betrokkenen in de berichtgeving te vermijden in al die gevallen waarin deze personen onevenredig nadeel van herkenbaarheid zullen ondervinden en voor zover het vermijden van herkenbaarheid niet in strijd is met het belang van een adequate berichtgeving.
20. De journalist publiceert geen tekst of foto’s en zendt geen audio-opnames of beelden uit die zijn gemaakt van personen in privé-situaties zonder toestemming van de betrokkene, tenzij met de publicatie een groot maatschappelijk belang is gediend.

De vraag is waarom deze media ervoor hebben gekozen om de foto’s (waaronder vakantiefoto’s) van de verdachte te publiceren. Riekt dit niet naar sensatielust en kan dat wel vanuit professioneel oogpunt? Dat antwoord wordt eigenlijk al gegeven met de richtlijnen hierboven.  

De vraag rondom privacy kan ook betrekking hebben op de slachtoffers. De foto van Milly Boele waarop ze lieflijk kijkt werd voor niemand verborgen gehouden en haalde uitgebreid de pers. Ook al hebben haar ouders ermee ingestemd, wat kan een goede reden geweest zijn om haar portret steeds weer af te beelden. Een onbekend meisje dat op een gruwelijke manier aan haar einde is gekomen. Dat is al erg genoeg. Maar voegt het publiceren van haar foto nou werkelijk iets toe aan de berichtgeving?


Macht media en Montesquieu: feiteninterpretatie

Ik stel mezelf de vraag of journalisten wel voorbereid zijn op het vaak moeilijke vakjargon van rechters. Bij de behandeling van een zaak, is het belangrijk de feiten en termen te kennen en daarin onderscheid te kunnen maken. Want is doodslag hetzelfde als moord? Of nog moeilijker; wat is het verschil tussen een moord in de eerste graad en moord in de tweede graad?
In het uitspreken van de straf kan een groot verschil zitten wanneer een van de twee het geval is. De vraag is of een ‘doorsnee’ journalist van bijvoorbeeld de Metro dat verschil kent en daarmee ook rekening houdt in zijn of haar verslaggeving.
Doctor Elly Van Baren van de Universiteit Leiden stelt in haar proefschrift Macht, Media en Montesquieu dat rechters de media ook als belangrijke speler ervaren. Vooral strafzaken, zo vervolgt ze, kunnen rekenen op aandacht van de pers. ,,Rechters beklagen zich erover dat journalisten niet altijd een juiste uitleg van het proces en de uitspraak geven. Journalisten beklagen zich over de moeilijk te interpreteren rechterlijke uitspraken”, valt te lezen in haar opzet.
Wat ik hiermee wil aangeven, is dat het nauw luistert op welke wijze een journalist zijn of haar verslag naar buiten brengt en of het wel secuur is opgetekend. Dat laatste blijkt dus een twijfelgeval, al geldt dat uiteraard niet voor alle journalisten. Is dat wel het geval, dan betekent dat in mijn ogen gezichtsverlies voor de betreffende journalist, het medium waarvoor deze werkt en de journalistiek in zijn algemeen. Want journalistiek moet vooral iets zijn waar het lezers- of kijkerspubliek op moet kunnen vertrouwen. De juistheid ervan zou buiten kijf moeten staan. Hugo Arlman, zelf journalist, pleit op een weblog voor Nederlandse juristen (njblog.nl) zelfs op cynische toon voor een bijscholingsprogramma ‘Recht voor journalisten’ nu de meeste juristen verdwenen zijn bij kranten en televisie.
Overigens heeft het OM (Openbaar Ministerie) in 2009 een klacht ingediend tegen het blad Vrij Nederland bij de Raad voor de Journalistiek wegens onjuiste berichtgeving in een strafzaak en beschadiging van het OM zelf en personen binnen het OM. Opvallend: de klacht werd gegrond verklaard door de raad. 



Conclusie en slot

Als we de voorgaande voorbeelden in ogenschouw nemen, dan neig ik te zeggen dat een mediahype snel geboren is. Er is vanuit de beroepsgroep behoefte om nieuws te brengen en dat nieuws moet verkopen. In een artikel van journalist Edwin Feldmann valt te lezen dat de inkomsten van de media onder druk staan, het aantal lezers en kijkers dalen en de geloofwaardigheid aan slijtage onderhevig is (dit bleek tijdens het jaarlijkse congres van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten). Nieuws moet dus nog meer dan ooit aantrekkelijk zijn zodat het ‘verkoopbaar’ wordt. Denk aan de media die foto’s publiceerden van Sander V. zonder balkje voor de ogen. Of aan de schreeuwerige koppen en extra bijlages van de Telegraaf waarin de artikelen van ‘Het monster van Riga’ de losse verkoop omhoog moesten duwen.

In het licht van de rest van mijn betoog, durf ik te beweren dat er in bepaalde gevallen sprake is van mediahypes. Belangrijk element hierin is het eerder genoemde principe van een opgeroepen frame door de media. Dat frame vormt het beeld dat de media van bijvoorbeeld een ramp of rechtszaak hebben gecreëerd en van waaruit wordt bericht. Tunnelvisie en eenzijdigheid dreigen hiervan uit te gaan. Het voorbeeld van de brand in het chemieconcern bij Moerdijk illustreert dat goed. Een grote brand wordt bestempeld als ramp en op het oog losstaande feiten worden gekoppeld aan de brand als zijnde onweerlegbare gevolgen (zoals de boer uit de omgeving van de brand die redeneerde dat zijn koeien niet voor niets diarree hadden; uit het artikel van Vasterman).
Een mediahype moet dus wel aan een aantal factoren voldoen voordat het zo genoemd kan worden. Typerend, is dat objectiviteit deels lijkt te verdwijnen wanneer zich een mediahype voordoet. Een verdachte is dan al snel de dader, zo doen sommige suggestieve teksten en koppen ons geloven.

Het spook van sensatielust dreigt hier voor de media en ik vind dat de (serieuze) media daar niet mee geassocieerd zou moeten worden. De media moet de samenleving de kans bieden om een rechtsgang te controleren en dient daarvoor vooral te registeren. Onderhuidse emoties van de auteur of krant moeten daarin niet al te zichtbaar zijn, omdat die een gevoel van partijdigheid opwekken.

Daarbij doet een mediahype in mijn ogen afbreuk aan de journalistieke waarden, omdat die al gauw veroordelend werkt. En ik vraag me hardop af of veroordelen nu een taak van de media is. Ik denk van niet. Media hebben de traditionele rol van registreren, monitoren en het geeft de feiten weer waarna een lezer of kijker zijn of haar conclusies kan trekken (als je die rol heel strikt neemt).
Door deze berichtgeving, bijvoorbeeld in de zaak rondom de automobilist, kan de maatschappij het strafproces mede controleren. Zo vindt ook Job Knoester. Strafzaken zijn in de regel daarom ook openbaar, een uitzondering daar gelaten. Die rol is belangrijk om een goed werkende en transparant functionerende democratie in stand te houden. Achterdocht bij het publiek wordt zo vermeden en een eerlijk verlopende rechtsgang kan zo gewaarborgd blijven.  


Passen binnen die rol dan wel kwalificaties als ‘Het Monster van Riga’? De Telegraaf is een gevestigd dagblad en ik denk daarom niet dat een dergelijk medium zich zou moeten uitdrukken in een dit soort termen. Het wekt de schijn van sensatiebelust te zijn en werkt, zoals ik eerder zei, veroordelend.

Hier tegenin wil ik ook benadrukken dat de vrijheid van pers een groot goed is, een verworvenheid die gevoelig licht wanneer eraan getoornd wordt. In artikel 7 van de grondwet is die persvrijheid geregeld waar de vrijheid van publicatie een onderdeel van is. Vrijheid van meningsuiting sluit hier op aan. In dit kader is het lastig en ook niet gewenst om die vrijheid in te perken. Dus begeef ik me op glad ijs als ik (te) veel kritiek hebben op de manier van berichtgeving van media binnen strafprocessen. De media beroepen zich, en ook terecht, op hun vrijheid van pers en meningsuiting.

Als ik refereer aan de kwaliteit en mate van verslaggeving binnen strafzaken, dan durf ik wel te stellen dat enige terughoudendheid soms best op zijn plaats is. Ik verwijs daarbij naar het voorbeeld dat Hugo Arlman geeft in zijn artikel. Het beschrijft de hetze vanuit de pers tegen de president van een rechtbank uit Middelburg omdat deze de voorlopige hechtenis van een verdachte had geschorst. Het publiek en de media vielen over hem heen, als ware hij zelf de dader was (mediahype). Gevoelig punt hierin; het betrof een gezinsdrama met drie doden tot gevolg.
Het gaat daarom in mijn optiek om de toon van de media, de manier van vertellen en mate van integriteit die de pers tentoonspreidt in haar berichtgeving over strafzaken.
Professionalisering van de media is daarin het sleutelwoord. Een sportcolumn in het AD of de Telegraaf wordt geschreven door oud-voetballers/sporters of door personen die zich in die wereld begeven. Ze ademen sport. Om een parallel met mijn onderwerp te trekken, vind ik het helemaal geen slecht idee om je als journalist te laten bijscholen in het vakgebied van de rechtspraak, zoals Arlman al eerder verwoordde. Of zoals Vasterman, die opperde om meer te investeren in deskundigheidsbevordering bij journalisten op het gebied van crisis, rampen en gezondheidsrisico’s.

Mediahypes ontstaan goed beschouwd in sommige gevallen als reactie op een belangwekkende gebeurtenis, waarin publiek en media elkaar aanvullen en de hype kunnen versterken. Een bepaalde verwachting (perceptie) wordt bevestigd door wat de media erover schrijft of laat zien op tv. Die mediahypes zullen zich in mijn optiek al wel blijven voordoen, het is inherent aan de media en journalistiek. Het is de taak van diezelfde media en journalistiek om zichzelf af en toe te corrigeren en terug te fluiten.
   






Geen opmerkingen:

Een reactie posten