Inleiding

De jongeman op de foto hierboven ben ik, Daan Roelofs. In de winter van 1982 werd ik geboren in Amsterdam, in een huis aan de Amstel en met uitzicht op theater Carré. Als kind speelde ik buiten, verkleedde ik me als superheld en las ik graag in een van mijn....
Ik was een dromer en vooral heel nieuwsgierig. De vragen die begonnen met 'waarom' en 'hoe' heb ik vaak op mijn ouders afgevuurd. Die nieuwsgierigheid is altijd gebleven en belangrijk geweest in mijn keuze voor de studie journalistiek. Tijdens mijn studie ben ik van mezelf te weten gekomen dat ik vaak het 'vreemde' nieuws opzoek, dat ik graag de niet alledaagse onderwerpen belicht. Zo is er het item over de ezels, het item.....



Dit zijn de beroepscompetenties die de School voor Journalistiek heeft vastgesteld voor de afgestudeerden.
De zeven beroepscompetenties zoals gesteld door de School voor Journalistiek

1. Vanuit de actualiteit journalistiek relevante onderwerpen kunnen analyseren en vaststellen.


2. Snel en gericht nieuwe informatie kunnen verzamelen en selecteren, met (moderne) nieuwsgaringtechnieken en methoden van onderzoek.


3. Informatie kunnen verwerken in een adequate journalistieke vorm voor diverse media.

4. Adequaat en professioneel kunnen communiceren.


5. Professioneel en efficiënt kunnen (samen)werken in een organisatie/bedrijf.


6. Eigen en andermans journalistiek werk kritisch kunnen beoordelen en een bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van het vak.


7. Kunnen reflecteren op eigen ontwikkeling als professional en daaruit conclusies kunnen trekken voor de toekomst.












Afstudeerruimte


Onderstaand artikel is geschreven in het kader van een redactie Binnenland, waarbij we ons hebben toegespitst op de binnenlandse- en buitenlandse criminaliteit. Samen met twee medestudenten ben ik op goed geluk afgereisd naar het Brabantse Liempde. Daar vond in 2004 een opmerkelijke gebeurtenis plaats die met raadsels omgeven is. We togen naar het zuiden om de sfeer in het dorp zelf te proeven en de hoofdpersoon in ons verhaal op te zoeken. 

Inval in de vroege morgen
Van boerderij tot trainingskamp

We gaan terug naar de avond van 11 november 2004. De dan 55-jarige Ton van Beugen runt samen met zijn vrouw een kampeerboerderij in het Brabantse dorpje Liempde. Het hoogseizoen is voorbij en hij heeft niet veel werk om handen aan de enkele gasten die er nog zijn. De avond valt en voor Van Beugen en zijn gezin lijk het een nacht te worden als alle andere. Niets blijkt minder waar.  Tijdens een grootschalige politie-inval op kampeerboerderij de Mus ’donck worden die nacht 29 mensen opgepakt.

Ton van Beugen: “Ik weet het nog goed. Het was vijf uur ’s ‘s ochtends en ik werd wakker van luid gebonk op de deur. Ik liep automatisch naar beneden en deed de deur open. Daar stond een man met bivakmuts en hij vertelde mij dat ze bezig waren met een inval.” Toen pas zag Van Beugen de lichten van een rondcirkelende helikopter en een soort van militaire eenheid die zich precies om de twee meter rondom zijn huis hadden opgesteld. Terwijl Van Beugen verdwaast met de man meeloopt naar achter ziet hij hoe zijn campinggasten in hun onderbroek tegen de muur staan en realiseert zich dat de inval al even bezig is. Zijn vrouw wordt uit bed gehaald en een van de inmiddels binnen gekomen rechercheurs zegt dat het huis onderzocht moet worden. “Met drie slapende kinderen boven?” De vrouw van Van Beugen is des duivels. Wat is hier aan de hand spookt het door hun hoofd. Dan wordt het duidelijk dat Van Beugen en zijn vrouw ook onder arrest staan. “Ik bel mijn zus, voor de kinderen” Maar de rechercheur bijt haar toe: “U belt helemaal niemand. Wat is de naam van uw zus?” En hij loopt naar een dik boekwerk dat op tafel ligt. “Ik was met stomheid geslagen toen hij daar alle gegevens van mijn schoonzus uit haalde. Alles stond daar blijkbaar in, van de lengte van mijn teennagels tot het telefoonnummer van mijn schoonzus. Pas later realiseerde ik me hoe beangstigend dat eigenlijk is.” Onder toeziend oog van hun drie kinderen (17, 15 en 13) worden Van Beugen en zijn vrouw als zware criminelen, apart afgevoerd.

Reden voor de inval was de vermoedde aanwezigheid van een PKK-trainingskamp op het terrein van de kampeerboerderij. De aangehouden personen werden verdacht van deelname aan en het steunen van de Koerdische afscheidingsbeweging ‘Partiya Karkeren Kurdistan’, beter bekend als de PKK. Deze organisatie strijdt voor een onafhankelijke Koerdische staat maar wordt als een terroristische groepering gezien die verboden is in Europa. Het steunen van zo’n soort groepering was in november van 2004 nog niet voor de wet verboden.

In het najaar van 1992 besloot de familie van Beugen een kampeerboerderij over te nemen in Liempde. De groep Koerden kwam dus voor het eerst bij de familie van Beugen in de winter van 1992. Het waren nette bezoekers die zich gewoon aan het reglement hielden. “En dat waren die Koerden. Die waren hier. Die hadden gehuurd vanaf eind september. Dus die waren ook op die dag aangekomen toen wij aangekomen waren. En daarom wilde die verkoper pas 15 november der uit, want die zouden twee maanden blijven en hij wou dat geld nog in zijn zak steken. En nou was dat van ons natuurlijk, dat geld. Maar het gaat niet om dat geld. Het gaat om aan te geven; die mensen waren er al, die kwamen al regelmatig hier bij de vorige eigenaar. En dan hebben we het dus over de tachtiger jaren. Ja, die kwamen bij ons ook, ze deden niets verkeerd dus ik had geen enkele reden om te zeggen van je mag niet meer komen. En ze kwamen al, en ze waren vriendelijk en aardig en ze leverde gewoon hun centjes in. Ja, dus…. Wat ik wil zeggen is dat die mensen al twintig jaar hier kwamen. En zo hebben we dus vanaf 1992 tot 2003 voortgesukkeld, elk jaar zes weken, soms twee keer zes weken. Soms ook jaren niet. Kwamen ze niet”.
De inval leverde uiteindelijk niets op voor justitie. Geen enkele verdachte werd daadwerkelijk veroordeeld, mede door een gebrek aan bewijs en het feit dat de Turkse justitie niet meewerkte.. Zij stonden niet toe dat de Nederlandse advocaten van de verdachten bij de verhoren van belangrijke getuigen in Turkije aanwezig zouden zijn. Het gerechtshof in Den Bosch besloot hierop de hele zaak te seponeren en justitie kon niet anders dan de aanklacht te laten varen. De getuigenverklaringen zouden op deze manier niet betrouwbaar genoeg zijn om te kunnen gebruiken in een mogelijke strafzaak, zo stelde de Nederlandse rechtbank in oktober 2008. Dit heeft alles te maken met de verhoudingen tussen de Turken en Koerden, die op politiek gebied heel gevoelig liggen.


Stroef verloop

“Ik herinner me deze zaak. Het was een wat ‘padvinderachtig’ zomerkamp", weet Martin van Bruinessen, onderzoeker en deskundige op het gebied van moderne islamitische samenleving. "Ik meen dat er filmpjes gevonden waren van joggende jongens. Volgens hem waren de ‘bijeenkomsten’ op de kampeerboerderij vooral ideologisch van aard. “De jongens en meisjes kregen iets te horen over Marx, Lenin, Stalin en Apo (beter bekend als Öcalan red.), de leider van de PKK.” Op Bruinessen maakte de hele zaak een nogal onschuldige indruk. Hij verwijst daarbij naar het feit dat er geen wapentuig is gevonden tijdens de inval op de kampeerboerderij, zoals vuurwapens. “Het deed mij eigenlijk allemaal erg denken aan zomerkampen van christelijke jeugdverenigingen. In plaats van de Bijbel en andere stichtelijke literatuur als richtlijn, waren hun bijeenkomsten meer politiek van aard.”
Hij voegt daar nog wel aan toe dat er destijds werd vermoed, dat deze training wel een voorbereiding was voor een veel serieuzere terugkeer naar Koerdistan. “Daar zouden ze wel degelijk een militaire training krijgen en gaan deelnemen aan de guerrillastrijd. Erg veel is daar nooit over bekend geworden. De AIVD had wel wat informatie, maar heeft die binnenshuis gehouden", aldus Bruinessen. Dit verklaart wel eerdere bezoeken van de AIVD aan de kampeerboerderij van de familie van Beugen. “Ik weet niet meer precies hoe lang dat van te voren was, maar er stond hier op een gegeven moment een wat gezette man op de stoep die zich bekend maakte als iemand van de AIVD. Het eerste wat dan door je hoofd schiet is: “Wat doe ik verkeerd” en dat vroeg ik dus. Maar ik deed niets verkeerd, hij kwam alleen vertellen dat hierachter Koerden zaten. Ik zeg ja, dat weet ik, maar die veroorzaken verder geen problemen. Nee, dat vond hij ook niet, het was juist hartstikke goed dat ze hier zitten. Want dan zitten ze bij elkaar, en dan kunnen wij als AIVD een oogje in het zeil houden. Ik zeg, maar waarom houden jullie een oogje in het zeil? Ja, wij willen graag weten hoe dat de groep zich gedraagt, want wij moeten op alle terreinen in Nederland zoveel mogelijk inlichtingen verzamelen.” Zo heeft Van Beugen nog even met hem aan de keukentafel gezeten. Na een half uurtje vertrok de man weer, hij zou nog wel een keer bellen. “Ik heb toen nog gezegd, Ik zeg, maar zeg het dan, als wij iets kunnen doen, en als  er iets gebeurt wat niet goed is, en als het niet mag ik zeg, dan gaan ze er vandaag nog uit, want ik wil dat risico niet nemen.” Een maand voor de inval kreeg Van Beugen ook nog een bezoekje van de RIVD. “Die man maakte het helemaal spannend. Ook hij zei dat er niets aan de hand was en dat ik me nergens zorgen om hoefde te maken. Hij zei zelfs: ‘hier heb je mijn 06 nummer, als er iemand komt of er is iets, meteen bellen want dan maak ik dat in orde.’ Eén keer heb ik politie aan de deur gehad in verband met die Koerden, hij heeft dat toen direct opgelost. Maar ik heb me toch ook lelijk vergist. Tijdens de inval zei ik dat ze hem moesten bellen, want hij wist hoe de vork in de steel zat. Nou mooi niet. Het nummer klopte niet. Er was niemand meer te vinden, de RIVD bestond ineens niet meer en bij de AIVD wisten ze van de hele zaak ook niets. Sterker nog, er was hier nooit iemand van hen geweest. Toen was dus in een keer alles weg he. In rook opgegaan. Keihard ontkennen dat hier iemand van de AIVD bij mij aan de keukentafel gezeten heeft. Nou, dan is het mijn woord tegen hun woord, en ja, dat verlies ik.”

Historicus en Turkoloog Armand Saǧ is stelliger in zijn mening dan Bruinessen.
“Ik denk dat er daadwerkelijk terroristen zijn getraind op boerderij de Mus‘donck.” Volgens de Turkije-deskundige verbleef onder andere Güven Akkuș tijdelijk op de kampeerboerderij. Een opmerkelijke uitspraak, gezien het feit dat Akkuș een terrorist was die in 2007 een aanslag pleegde in Ankara. Ook hebben twee van zijn ooms tijdelijk in Liempde gezeten, vertelt Saǧ.  
“Het is een zeer droevige zaak dat er naar alle waarschijnlijkheid enkele Koerden werden opgeleid in Liempde die later aanslagen hebben gepleegd. Dit heeft mensenlevens gekost.”
De hele zaak verliep van begin af aan uiterst stroef voor justitie. Op basis van bewijzen die de politie had verzameld, kon  geen enkele verdachte worden veroordeeld. Bovendien konden de getuigen in Turkije niet verhoord worden omdat de Turkse autoriteiten weigerden Nederlandse advocaten toe te laten. Extra bewijs in de vorm van een getuigenverklaring kon daardoor niet worden vergaard. Dit was voor de Bossche rechtbank essentieel om tot een veroordeling te kunnen komen. Deze rechtbank had namelijk bepaald dat er 117 getuigen moesten worden gehoord voor meerdere PKK gerelateerd zaken die in Nederland speelden, waarvan enkele tientallen in Turkije verbleven al dan niet in gevangenschap. Onder de te verhoren getuigen was ondermeer de Koerdische leider Öcalan die in Turkije een levenslange gevangenisstraf uitzit. Voor het OM was dit een aderlating, het betekende namelijk dat de zaak in gevaar zou kunnen komen. Later, in 2008, leerden we ook dat de zaak inderdaad in een lastig pakket was geraakt toen bleek dat de rechtbank het OM niet-ontvankelijk verklaarde en de zaak moest seponeren.

In een eerdere fase hadden enkele getuigen, die in veel gevallen ook werden verdacht van PKK-deelname en/of steun aan de organisatie, belastende verklaringen aflegden tegen enkele verdachten die zijn opgepakt tijdens de inval in november 2004. Dit gebeurde in sommige gevallen om er zelf beter van te worden door bijvoorbeeld strafvermindering af te dwingen in ruil voor een (getuigen)verklaring. Aan die zaak zat een luchtje, zo oordeelden de Nederlandse advocaten.

Volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens hebben advocaten het recht om aanwezig te zijn bij getuigenverhoren, ook als die getuigen zich in het buitenland bevinden. Advocaten hebben daar belangen bij in verband met de betrouwbaarheid van de verklaringen. De Turkse autoriteiten zagen dit anders en rond februari 2008 leidt deze onenigheid tot een 'welles-nietes' spelletje tussen de Turkse autoriteiten en de Nederlandse advocaten.

In juni 2008 ging toenmalig minister van Justitie, Ernst Hirsch Ballin, op werkbezoek naar Turkije. Zijn doel: de meningsverschillen met Turkije oplossen zodat de rechtszaak tegen de gearresteerde PKK-verdachten kon worden voortgezet.
De Turken waren niet te overtuigen en bleven bij hun standpunt dat de verdediging niet aanwezig mocht zijn tijdens het afleggen van de verklaringen. Iets dat voor de Nederlandse advocaten cruciaal was om een eerlijk proces te kunnen waarborgen. Het zag er dan ook naar uit dat de processen tegen de verdachten op niets zouden uitlopen. Het bewijs was niet sluitend, er waren alleen wat indirecte aanwijzingen en vermoedens gevonden, bovendien wilde Turkije niet meewerken.

Meerdere keren wordt er door justitie in Nederland om uitstel gevraagd om te voorkomen dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk wordt verklaard.
Oktober 2008 wordt het OM alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Volgens Y. Tamer, advocaat van een van de verdachten, zijn alle verdachten dan al een aantal jaren op vrije voeten en de meeste van hen zijn het land uitgezet als ongewenst vreemdeling. “Mijn cliënt en zijn vrienden waren allemaal minderjarig en stonden dus onder bescherming van de Nederlandse overheid. Het feit dat Turkije niet wilde meewerken heeft dus uiteindelijk in hun voordeel gewerkt.”   

Tijdsgeest

Het jaar 2004 was een bijzonder bewogen jaar, zo valt te lezen in het jaarverslag van de AIVD. Niet alleen vanwege de inval op de kampeerboerderij in Liempde. Tien dagen voor de inval bij de Mus‘donck, werd Theo van Gogh in Amsterdam door Mohamed Bouyeri vermoord. Het land was geschokt. Mensen hadden de aanslagen in Madrid van maart 2004 nog vers in het geheugen en de aanslag op het WTC in New York lag ook nog niet ver achter hen. Waren dit incidenten of was dit het begin van een structurele dreiging tegen het westen? Door de verschillende incidenten in binnen- en buitenland heeft het toenmalige kabinet stappen genomen om in te spelen op de toenemende terrorismedreiging. Deze dreiging en het onderzoek naar en opsporing van radicaal Islamitische netwerken, die eventueel plannen hadden voor terroristische aanslagen, een zeer hoge prioriteit gekregen binnen de overheden van Westerse landen met de Verenigde Staten voorop in de ‘strijd’. De aanhoudingen en het verijdelen van (mogelijke) aanslagen van de terroristisch organisatie die zichzelf 'de Hofstadgroep' noemde, eveneens in 2004, gaf maar al te goed aan dat Europa met een toenemende spanning te maken had. Alle alarmbellen rinkelden.

De inval in Liempde moet dan ook in de tijdsgeest van toen geplaatst worden. Er kan verondersteld worden dat de autoriteiten in Nederland geen enkel risico wilden lopen en haar voorzorgsmaatregelen flink aanscherpte. Het toezicht op het rekruteren van leden voor terroristische aanslagen, het martelaarschap en de deelname aan de Jihad werd door de AIVD sterk aangescherpt in samenwerking met de Counter Terrorism Group (CTG). Dit deed de inlichtingendienst onder meer door het zogenoemde ‘ronselen’ van leden te onderzoeken. De zaak in Liempde voldeed in de ogen van de AIVD aan een van deze criteria. Het ronselen zou met deze inval tot een halt geroepen worden, in hoeverre überhaupt sprake was van dit feit ter zijde. De AIVD is eerst begonnen met het nauwlettend in de gaten houden van het kampeerterrein en ook van het gezin Van Beugen. Dit verliep overigens niet zo ongezien als de AIVD gehoopt had. Ton van Beugen schudt zijn hoofd als hij er aan terug denkt. Hij vindt zich zelf achteraf gezien naïef, “maar aan de andere kant reken je hier gewoon niet op”. Het was ongeveer een week voor de inval, wanneer hij tegen de avond tijdens het uitlaten van zijn hond, iets raars ziet aan de overkant van een gekapt maïsveld. “Ik dacht, nou zal je het hebben, stelletje idioten. Dat moeten de mannen van de milieuclub geweest zijn.” Aan een boom, op nog geen anderhalve meter van de grond, hangt een vogelhuisje. “Anderhalve meter hoogte, wie doet dat nou” en verbaasd loopt Van Beugen over het veld naar het vogelhuisje. “En toen werd het helemaal te gek, hadden ze voor dat gaatje ook nog een glasplaatje gezet, dat werkt toch niet!” Nietsvermoedend opent hij het dak van het vogelhuisje en schrikt: “Het was helemaal geen vogelhuisje, er zat een camera in! Dus ik pakte die camera en draai hem een kwartslag zodat je er niets meer doorheen zag.” De camera stond namelijk op het huis van Van Beugen gericht. “Recht op mijn voordeur, nou dan ben je toch wel even met stomheid geslagen.” De volgende ochtend bedacht hij zich om de camera maar helemaal weg te halen. Maar als hij het veld weer overloopt ziet hij al meteen: alles is weg. Vogelhuisje, camera, kabels, alleen nog een groot gat in de grond onder de boom. “Er had natuurlijk iemand mee zitten kijken. Ongelofelijk.”   

Justitie hield samen met de AIVD de boel al een tijdje een oogje in het zeil. Van Beugen vermoedt dat het daarom ook niet alleen bij het vogelhuisje is gebleven. “waarschijnlijk zijn ze nog veel verder gegaan. Want waarschijnlijk hebben ze hier in huis, en achter bij de boerderij, ook nog microfoons gehad, of camera’s. Dat denk ik dat ze ook nog gedaan hebben. Want ze zetten alle middelen in.” Het belangrijkste gerucht was dus dat zich PKK-leden ophielden op het kampeerterrein. Deze leden zouden zich bezighouden met training en rekrutering voor de inmiddels in Nederland verboden PKK-groepering. Een sterk vermoeden was voor de inlichtingendienst voldoende om een onderzoek te starten en om de kampeerboerderij op die vroege novembermorgen met tweehonderd man aan speciale eenheden en twee politiehelikopters binnen te vallen. De inval werd op de voet gevolgd door de media die ruim van te voren door justitie zelf waren ingelicht. Een journalist van Omroep Brabant bevestigt dat: “We hebben intern een telefoontje gekregen dat er een PKK-trainingskamp opgerold ging worden in Liempde. De inval zelf is van dichtbij vastgelegd door een cameraploeg van justitie zelf. Wij werden tijdens en na de inval op de hoogte gehouden door een woordvoerder van justitie en het hoofd van de nationale recherche. Zij hebben ons toen ook verteld over de wapens en nachtkijkers die gevonden zouden zijn. Later hoorde we pas dat deze bij een andere inval waren gevonden die dezelfde nacht had plaatsgevonden.” Het weglaten van dit kleine detail zal niet per ongeluk geweest zijn vermoedt Van Beugen. “Maar is ook iets wat ik de journalistiek eigenlijk een beetje kwalijk neem, dat ze zich niet goed hebben laten informeren.” Het was belangrijker om een scoop te scoren dan om de feiten te checken. “Dat hebben ze niet gedaan, ook niet door mij maar ik had daar toen ook helemaal geen zin in.” Later las Van Beugen dat verhaal in de krant. “Er werd daarin ook aangegeven dat het vermeende kamp ergens ‘diep verscholen in het bos’ zou liggen. Daar klopt gewoon helemaal geen reet van, we zitten verdorie nog geen 600 meter van de A2 af!” Dat ’diep verscholen in de bossen’ natuurlijk meer indruk maakt begrijpt hij wel, maar het klopt gewoon niet. “Bovendien was het voor ons gewoon een zakelijke transactie en niets meer. Die mensen hielden zich aan het reglement wat wij hebben, dus waarom zou ik ze dan buiten zetten?”
   

PKK in Nederland

In april 2004 worden de organisaties KADEK, en de later daaruit ontstane organisatie Kongra-Gel, door Nederland toegevoegd aan de lijst van organisaties waarvan de financiën worden bevroren. De beslissing werd door de AIVD genomen omdat er een sterk vermoeden bestond dat deze organisaties een dekmantel vormden voor de Koerdische afscheidingsbeweging PKK.
Door het bevriezen van de geldstromen werd het voor de PKK onmogelijk om de KADEK en Kongra-Gel financieel te steunen. Eventuele opleidingskampen konden daardoor niet meer worden geholpen met indirecte steun van de PKK.
Volgens de AIVD zou het PKK-kamp, dat zich zou hebben gevestigd op de kampeerboerderij in Liempde, door de Kongra-Gel zijn georganiseerd. De link met de afscheidingsbeweging waarbij de Nederlandse organisatie als dekmantel werd gezien. “Het inzamelen van geld voor de PKK is een ander interessant thema. ik geloof niet dat daar ooit mensen voor opgepakt zijn. Het gebeurt, dat staat vast, maar het zal wel moeilijk zijn aan te tonen dat dit door een bestaande ,en dus verbiedbare, organisatie wordt gedaan”, zo zegt Bruinessen.


De inlichtingendienst schrijf hierover in haar jaarverslag: "In het kamp in Liempde verbleven jongeren die van plan zijn zich aan te sluiten bij de organisatie. Zij worden ingewijd en onderwezen in de achtergronden, historie, ideologie en cultuur van de Koerdische beweging en de politieke geschriften van PKK-leider Abdullah Öcalan." . “Ik weet niet precies wat ze deden, dat moet ik maar gokken” zegt Van Beugen over de activiteiten van zijn gasten. “Wat ik gezien heb is dat ze de achterkamer tot een soort van klaslokaal hadden ingericht. Het was een soort collegezaal opstelling, en daar was iemand aan het les geven. Ze maakte gebruik van moderne technieken, er werd wel eens een videofilm gedraaid, maar verder stond er de hele dag iemand te praten. En die mensen zaten heel de dag, zaten die te luisteren. Ze hadden wel regelmatig een soort van speelkwartier en dan gingen ze voetballen achter op de wei of rondjes rennen op het veld.”

De PKK was in 2004 nog geen illegale organisatie in Nederland. Deze werd pas in 2007 officieel verboden door de Nederlandse staat, ondanks het feit dat de organisatie al sinds 2002 door de Europese Unie en de VS werd gezien als terroristische groepering. Pas in december 2004, een maand na de inval, werd het steunen van de PKK verboden in Nederland. De echte ‘eyeopener’ voor Nederland was een aanslag van terrorist Güven Akkus die in 2007 een aanslag pleegde in Ankara.
Volgens Armand Saǧ was er al eerder sprake van een opleidingskamp in Eindhoven, waar ook Akkus zou zijn opgeleid tussen 1998 en 2001. Saǧ: "Nederland was één van de weinige landen, zo niet het enige, dat fel tegen het besluit van de Europese Unie, Verenigde Staten en de Verenigde Naties was om de PKK op de 'Terror List' te zetten." Jaren later kwam Nederland hier op terug en verbood de organisatie alsnog.
Volgens Bruinessen bestaat de PKK als organisatie in ons land niet officieel. “Ze heeft geen woordvoerders of vertegenwoordigers in Nederland zitten. Er zijn Koerdische verenigingen die duidelijke sympathieën voor de PKK hebben, maar die zijn wel legaal. Er heeft lange tijd ook een Nederlands actiecomité bestaan dat sterk met de PKK sympathiseerde en een informatiebulletin verspreidde dat overduidelijk door de PKK was geïnspireerd. Maar ook dat heeft bij mijn weten nooit problemen gehad.”
Saǧ ziet dat toch anders. Een hervatting van eventuele PKK trainingskampen in Nederland wordt door Saǧ vergeleken met een vulkaan. “Een deel van zulke organisaties zijn ‘slapende’ verenigingen. Veel van de individuen die deel uitmaken van de organisatie hebben een sterke band met hun Koerdische achtergrond. Zij spelen in op incidenten zoals bijvoorbeeld ook is gebeurd rond de terroristische dreigingen in 2004 en door de inval in Noord Irak in 2007.” Saǧ maakt overigens nog een andere opvallende link met de PKK in Nederland die het vermelden waard is, al is de betrouwbaarheid van die informatie niet makkelijk te achterhalen. Saǧ vraagt zich hardop af hoe al die kleine Koerdische koffiehuizen het hoofd financieel boven water weten te houden, terwijl ze maar twee keer per week open zijn. “Het kan zijn dat deze koffiehuizen en culturele verenigingen worden gebruikt als politieke dekmantel voor de Turkse maffia. De link met de maffia bestaat hem dan voornamelijk uit het doorvoeren van drugs zoals opium vanuit Afghanistan via Turkije naar Nederland. Een breed netwerk dat in de afgelopen decennia is opgebouwd.” Dit zijn uiteraard de woorden van Saǧ en hij zegt er zelf ook bij dat deze beschuldiging heel lastig te bewijzen valt.     



Eerste stage Gooi- en Eemlander

In mijn eerste stage schreef ik het nieuws en de achtergronden voor de Gooi- en Eemlander. Het volgende artikel geef ik een plaats in mijn portfolio, omdat ik het simpelweg een mooi verhaald vond. Een verhaal met een dramatische achtergrond en confronterende quotes van de geïnterviewde. Bij de krant denk je snel aan het harde nieuws, dit stuk is meer persoonlijk. Ik heb ruim een uur bij de man aan de keukentafel gezeten in zijn senioren woning in Bussum, waar ik eigenlijk van plan was niet langer dan een half uur te blijven. 

Willem van Enter overleefde het 'Jappenkamp'

'De atoombom redde mij'

Op verschillende plaatsen in de regio wordt vandaag officieel herdacht dat 66 jaar geleden met de overgave van het Japanse leger een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Willem van Enter (80) uit Hilversum verhuisde als kind met zijn ouders en jongere broertje van Sumatra naar Oost-Java voor het werk van hun vader die handelsreiziger was. "We werden met paard en wagen naar school gebracht."

Een detail dat de manier van leven in het voormalig Nederlands-Indie mooi schetst. Begin jaren veertig verandert de situatie volledig. De vader van Van Enter, die van Nederlandse komaf is, krijgt een oproep voor een militaire training van vier maanden in Surabaya, een grote havenstad in het oosten van Java. De dreiging van een Japanse invasie ligt dan al op de loer. "Mijn vader lag in van die schuttersputten op het strand om een landing van Japanners te voorkomen." 
Het hielp niet. In 1942 was de Japanse bezetting een feit. "Dat betekende dat wij als gezin uit elkaar getrokken werden. Mijn vader werd overgebracht naar Bangkok om aan de 'Birma-spoorweg' te werken. Mijn moeder, broertje en ik naar het jongenskamp in Muntilan op Java. Het hing samen met het militaire verleden van mijn vader. De inheemse bevolking noemden blanken, waar wij ook toe behoorden, 'totoks'." Dat werkte niet in hun voordeel, de inlanders beschouwden de Japanners aanvankelijk dan ook als bevrijders van een koloniaal regime. Hoe het zijn vader destijds verging, daar dacht hij naar eigen zeggen niet te veel bij na. Het werd hem ook niet verteld. 
"Wat kon je doen, het overkwam je", zegt hij enigszins gelaten. Hij verwierf binnen het kamp een bijzondere positie. "Ik werd aangewezen als het hulpje van de Japanners die het kamp bewaakten." Daar koos hij niet voor, dat werd hem toebedeeld omdat hij als een van de weinigen goed Maleis sprak, een taal die veel Japanners ook spraken. Het betekende niet dat hij daarmee dikke vrienden was geworden met zijn onderdrukkers. Die rol hield hem aanvankelijk wat in de luwte, de Japanners hadden hem immers nodig omdat hij kon vertalen wat die opdroegen aan de kampbewoners. 
Toch was dat voordeel betrekkelijk. "De Japanners lieten mij de kampbewoners ophalen die gestraft moesten worden. Dan liep ik voor ze uit. Natuurlijk wilde ik dat niet, maar je moest het niet in je hoofd halen je daar tegen te verzetten." Op zijn dertiende werd hij overgebracht naar het mannenkamp. "Ik heb daar vaak lijken moeten wegdragen." Het ging er al gauw veel slechter met hem. Voedseltekort was er vaak de oorzaak van een opgezwollen buik. "Ik heb mijn leven te danken aan de atoombom op Hiroshima. Twee maanden later en ik was dood geweest." 
De atoombommen - Nagasaki volgde op 9 augustus 1945 - betekenden de overgave van het Japanse leger en de hereniging met zijn vader die het wonderwel overleefd had, net als zijn moeder en broertje. Van Enter komt niet over als een gebroken man. Haat voelt hij niet. "Maar ik zal niet zo snel mijn eten bij de Japanner bestellen." 



Visie



Media in de beklaagdenbank


Inleiding

,,Puttense zaak is opgelost, justitie juicht”, kopte De Pers in 2008. ,,Moordzaak Putten opgelost”, berichtte het AD. En Peter R. De Vries zei ‘blij te zijn voor de twee vroegere verdachten’. Nu was er eindelijk duidelijkheid, voegde De Vries eraan toe.
Strafrechtadvocaat Job Knoester refereert hiermee aan de geruchtmakende moordzaak in Putten, bekend als de ‘Puttense Moordzaak’ en de arrestatie van een nieuwe verdachte in deze zaak. De manier van berichtgeving doet hem de wenkbrauwen enigszins fronsen, want ‘is een verdachte niet onschuldig totdat het tegendeel bewezen is?’ Hij legt hiermee een verbinding met de journalistiek/media en stelt zich de vraag wie die media zou moeten controleren in hun berichtgeving binnen strafprocessen.
Knoester beklaagt zich over de mate van objectiviteit in verslaggeving binnen strafzaken. Die zou onvoldoende zijn en ook de zogenoemde serieuze media maken zich hier schuldig aan.’
Bedrijfsredacteur Marion Brepoels van justitie doet onderzoek naar de rol van media binnen het strafproces van Robert M., de hoofdverdachte in de omvangrijke Amsterdamse zedenzaak. Een van de zorgen die ze uit, is het scenario waarin de rechters zich laten leiden door tunnelvisie. Het proces is zeer complex waarin sprake is van veel slachtoffers en de aard van de misdaad niemand onberoerd laat. Daarbij, zo stelt ze, is de druk vanuit de media groot en stelt ze zichzelf de vraag hoe zich dat verhoudt tot de ethische en professionele normen binnen het rechtssysteem. Het is een verwijzing naar de rol die media in een zaak als deze inneemt en ze merkt op dat er ook in deze zaak veel wordt gespeculeerd en geconcludeerd.
Strafrechtanalist Wicher Wezinga vindt dat de ‘publieke opinie, gevoed door de media, een (te) grote stempel op deze zaak drukt en daardoor worden volgens hem de wettelijke spelregels niet zo nauw meer genomen.’ Hij gaat zelfs iets verder en stelt dat rechters zich te zeer laten beïnvloeden door de media.

Zomaar een paar voorbeelden van strafprocessen die de media haalden. Die media berichtten op hun eigen manier over de verschillende zaken, de toon verschilde ook per medium. En het is die toon van berichtgeving die ik ga onderzoeken en onder het licht breng. Ik wil onderzoeken óf en zo ja, in welke mate er sprake is van overdreven aandacht vanuit de pers voor strafzaken en zal ter illustratie voorbeelden gebruiken. De voorbeelden aan de hand van strafzaken vormen mijn leidraad, al zal ik er af en toe best van kunnen afwijken.
De term waar het in mijn betoog om draait, is ‘mediahypes’. Het begrip duidt aan wat ik wil onderzoeken en vormt de kern van mijn betoog. Wel of geen mediahypes en hoe onderbouw ik dit?
De volgende stelling vat samen wat ik ga onderzoeken en in mijn conclusie zal blijken of die stelling stand houdt of aangepast dient te worden:

Mediahetzes omtrent strafzaken en andere belangwekkende gebeurtenissen verworden tot mediahypes en doen afbreuk aan de objectiviteit van de media


Kerndeel

Krachttermen & superlatieven

Media spreken zich dikwijls uit in superlatieven om een boodschap over te brengen. Termen als ‘schokkend’ en ‘ramp van ongekende omvang’ worden gebruikt, om maar een paar voorbeelden te noemen. Een voorbeeld daarvan is de naam die de Telegraaf steevast gebruikte om Robert M. aan te duiden; ‘Het monster van Riga’. Weliswaar van een andere orde, maar niets aan de verbeelding overlatend. Een ander mooi voorbeeld in deze context, is die rondom de grote brand vorig jaar bij Moerdijk. Een bedrijf in chemische stoffen brandde toen volledig uit en de media spraken van een ‘giga-brand’ waarbij ‘mega’ veel giftige stoffen waren vrijgekomen. Kortom, het was een ‘chemisch inferno’. Minister Opstelten noemde het een ‘ramp’.
Universitair docent Mediastudies Peter Vasterman geeft helder weer hoe die beeldvorming vanuit de media verloopt. Naar zijn mening was er, als je de feiten en gevolgen op een rijtje zet, niet heel veel aan de hand. De brand een ramp noemen, zo zegt hij, gaat te ver. Er waren immers geen doden en gewonden.
In zijn uitleg hanteert hij het begrip ‘schandaalframe’: bij een grote brand als die bij Moerdijk construeren de media een beeld van het incident en dat beeld is vervolgens bepalend voor de vervolgberichtgeving. Dat noemt hij de ‘mediatisering’ van het voorval. Gekoppeld aan die beeldvorming is het frame dat nieuwswaarde heeft. Termen als schandaal, falende overheid en ernstige gezondheidsklachten passen binnen dit schandaalframe. Om niet te vergeten ook de hiervoor genoemde termen giga, chemisch inferno en ramp. Om dat alle media meedoen, ze zegt Vasterman, wordt het beeld dat is opgeroepen al snel het dominante beeld in de berichtgeving. Los van de vraag of de beweringen van de media nou terecht zijn of niet (de concentraties giftige stoffen die vrijkwamen bij de brand bleken achteraf mee te vallen), geeft dit voorbeeld goed weer hoe die beeldvorming tot stand komt. Het verhaal krijgt zo zijn hele eigen verloop, terwijl het op meerdere punten genuanceerder lag, veronderstelt Vasterman. De feiten die bekend waren en op zich niet direct gekoppeld konden worden aan de brand (zoals de oorzaak van de brand), worden waarheden en in dit geval uiteindelijk aantijgingen die lang in de media blijven rondzingen. Zo werd er al snel gesproken over een milieuschandaal en doofpotaffaire, terwijl het onderzoek nog in volle gang was.     

Om het voorbeeld van de zaak rond Robert M. weer aan te halen; Marion Brepoels heeft het in haar artikel over het woordgebruik van de media binnen de strafzaak. Ze schetst hiermee de manier waarop de samenleving (het publiek) en de media met een dergelijke strafzaak omgaan en legt een verbinding met het effect dat het, zo zegt ze bijna op waarschuwende toon, op de uitspraak kan hebben. Er werd en wordt flinke krachttaal gebruikt door de media in hun verslaggeving binnen dit proces. En juist die krachttaal kan bijdragen aan een eenzijdig en stereotype beeld van een strafproces, is zij van mening. Brepoels noemt als voorbeeld termen als ‘walgelijk, emotieloos, hard en gewetenloos’.


Sensatiezucht of eerlijke berichtgeving?

Wat opvalt aan de berichtgeving zoals het op gang kwam na de brand bij Moerdijk, is de stroom aan negatieve berichten en vermeende schandalen en doofpotten. Ik had het eerder over het schandaalframe waarin een neergezet beeld van de media zichzelf versterkt. Media en publiek lijken alle signalen die het bestaande beeld bevestigen aan te grijpen om hun gelijk aan te tonen. In het geval van de brand speelde de verwachting/perceptie die de bewoners hadden mee; hoezo geen gevaar voor de volksgezondheid? Er hangt immers een dikke zwarte wolk boven het dorp, die moet wel schadelijk zijn. Dat is volgens Vasterman de kloof tussen feitelijke en waargenomen gezondheidsrisico’s.
Deskundigen die op tv iets konden/wilden vertellen over schadelijke versterkten het beeld van een overheid die zijn mond houdt uit angst voor paniek. Die vertelde namelijk dat er geen gevaar voor de volksgezondheid was. De link naar een doofpotaffaire werd gemaakt, zo vervolgt Vasterman. De media berichten vervolgens over de verontrusting bij bewoners die ze volgens Vasterman zelf veroorzaakt hebben. Human interest ging een belangrijke rol spelen binnen de verslaggeving. Bewoners werd gevraagd of en hoe bezorgd ze waren nu hun dorp was getroffen door een giftige wolk. Dat het gif zich al heel snel verdunde toen het in aanraking kwam met de buitenlucht, werd niet genoemd.
Een dergelijk ‘schandaalframe’ is een aantrekkelijk onderwerp voor media. Juist, zo zegt Vasterman, omdat het nieuwswaarde heeft.
Het stempel van een sensatiebeluste pers ligt dan voor de hand.


Grote aandacht voor verdachte= minder hoge straf?

In het verlengde van voorgenoemde, ligt de media-aandacht die bepaalde zaken krijgen. Of het nou grote branden zijn (Moerdijk) of strafprocessen. In het geval van strafprocessen wil ik een ander sprekend voorbeeld aanhalen: De zaak rondom de omgekomen Cabaretière Floor van der Wal. Zij kwam vorig jaar om toen ze werd doodgereden in Amsterdam door een automobilist die daarbij niet vrijuit ging. We wisten als lezer al snel dat het om een Marokkaanse jongen ging en dat werd herhaaldelijk benadrukt. Ik zeg hierbij niet dat het noemen van afkomst slecht of goed is, maar je zou op zijn minst kunnen nadenken over de vraag of dat van belang was binnen deze zaak. Vooral Geenstijl.nl onderstreepte dit feit meerdere keren en hebben er negen keer een artikel aan gewijd.
De verontwaardiging over de toedracht van het ongeluk was groot, te meer omdat dader Mohammed S. na het ongeluk was doorgereden en meerdere verkeersregels had genegeerd. De eis van justitie was vier jaar celstraf, maar de uitspraak van de rechter viel een stuk lager uit; 18 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk. Wat meewoog in de verlaagde strafmaat, was de grote media-aandacht voor de zaak waardoor S. al enigszins veroordeeld leek. Daar kwam bij dat de rechter rekening hield met de achtergrond van de verdachte, Marokkaans, en de ‘schaamtecultuur’ die er bestaat binnen zijn cultuur. De verdachte, zo redeneerde de rechter, was daarom al behoorlijk gestraft voor zijn daad en daar hoorde een lagere gevangenisstraf bij.

De media is daarom in mijn ogen haar doel voorbij geschoten. Waar een lange(re) gevangenisstraf gewenst was door nabestaanden en Openbaar Ministerie, is er een lichtere straf gegeven. Het ironische eraan is dat de media daar debet aan is. De maatschappij, zo kan ik stellen, is daarbij niet gebaad en reageert verontwaardigt. Zoals de vader van het slachtoffer het laatst treffend zei: “Dit mes komt in mijn onderbuik”. En: “Die gast is nauwelijks een jaar uit de samenleving geweest, terwijl wij nog geen jaar geleden, door zijn toedoen, onze dochter naar het graf begeleidden.”   


Verdachte is de dader

Er wordt, zo beoogd auteur en strafrechtadvocaat Job Knoester, in bepaalde gevallen te snel voorbijgegaan aan de schuldvraag van verdachten. Denk aan het eerder genoemde voorbeeld van de Puttense moordzaak. Zonder op de stoel van de advocaat te gaan zitten, is het volgens ons rechtssysteem zo dat een verdachte pas schuldig is wanneer dat bewezen wordt Wetboek van strafrecht). In het geval van de Puttense moordzaak, bleek dat er twee onschuldigen jarenlang vastgezeten hebben. In 2008 werd een nieuwe verdachte opgepakt aan de hand van DNA-bewijs. Media brachten dit als de oplossing van een langslepende en geruchtmakende moordzaak, maar gingen voorbij aan het nieuwe onderzoek en proces dat gevoerd moesten gaan worden.
Het gevonden bewijsmateriaal en de feiten werkten in het nadeel van verdachte Ronald P. Ook dan is het volgens Knoester zaak dat de media zichzelf afvragen om wat voor een bewijsmateriaal het gaat en hoe die is verkregen. Enige terughoudendheid is dus geboden, aldus de jurist.

Voormalig directeur van kinderdagverblijf ’t Hofnarretje (de zaak Robert M.) Albert Drent is zelf ook verdachte geweest in de grote zedenzaak. Drent is daarbij neergezet als mededader, terwijl zijn rol in het misbruik niet was aangetoond. De media zijn daar mede schuldig aan, vindt Vasterman. Drent is overigens nooit vervolgd.


Privacy van dader en slachtoffer

De privacy van slachtoffer en voornamelijk verdachte is vaak een punt van discussie. Door de recente moord van de Haagse juwelier Stratmann (hij kwam om bij een overval) blies die discussie weer nieuw leven in. De verdachten, twee tieners, waren gevlucht en justitie achtte het nodig hun foto te verspreiden. Het had effect, de twee werden gepakt, maar de angst ontstond daardoor ook dat de twee ‘ter compensatie’ een lagere straf zouden krijgen. Iedereen had immers hun foto gezien waardoor een groot stuk anonimiteit verloren ging. Nu was het vrijgeven van de twee portretten een initiatief van justitie, niet van de media. In het kader van de discussie die de ronde deed past dit voorbeeld ook goed binnen de kaders van het kopje ‘Grote aandacht voor verdachte= minder straf’ van hierboven.

De zaak rond Sander V. benadrukt goed wat er met privacy bedoelt wordt. De politieagent uit Zoetermeer vermoordde twee jaar geleden zijn 12-jarige buurmeisje Milly Boele en begroef haar in zijn eigen tuin. Een week later werd ze gevonden en V. werd opgepakt. Die bekende direct, zaak gesloten. Toch hebben verschillende media zoals de Telegraaf en Geenstijl meerdere foto’s van V. afgedrukt zonder het bekende zwarte balkje voor de ogen. Er was geen aanleiding en noodzaak toe en toch gebeurde het.
Opvallend, zeker wanneer we de volgende drie richtlijnen in acht nemen zoals die staan opgesteld in de ‘code voor de journalistiek’ (Nederlandse Vereniging van Journalisten):

18. De journalist zal de privacy van personen niet verder aantasten dan in het kader van een open berichtgeving noodzakelijk is.
19. De journalist ontziet de privacy van slachtoffers, nabestaanden, patiënten maar ook van verdachten en daders door de algemene herkenbaarheid van betrokkenen in de berichtgeving te vermijden in al die gevallen waarin deze personen onevenredig nadeel van herkenbaarheid zullen ondervinden en voor zover het vermijden van herkenbaarheid niet in strijd is met het belang van een adequate berichtgeving.
20. De journalist publiceert geen tekst of foto’s en zendt geen audio-opnames of beelden uit die zijn gemaakt van personen in privé-situaties zonder toestemming van de betrokkene, tenzij met de publicatie een groot maatschappelijk belang is gediend.

De vraag is waarom deze media ervoor hebben gekozen om de foto’s (waaronder vakantiefoto’s) van de verdachte te publiceren. Riekt dit niet naar sensatielust en kan dat wel vanuit professioneel oogpunt? Dat antwoord wordt eigenlijk al gegeven met de richtlijnen hierboven.  

De vraag rondom privacy kan ook betrekking hebben op de slachtoffers. De foto van Milly Boele waarop ze lieflijk kijkt werd voor niemand verborgen gehouden en haalde uitgebreid de pers. Ook al hebben haar ouders ermee ingestemd, wat kan een goede reden geweest zijn om haar portret steeds weer af te beelden. Een onbekend meisje dat op een gruwelijke manier aan haar einde is gekomen. Dat is al erg genoeg. Maar voegt het publiceren van haar foto nou werkelijk iets toe aan de berichtgeving?


Macht media en Montesquieu: feiteninterpretatie

Ik stel mezelf de vraag of journalisten wel voorbereid zijn op het vaak moeilijke vakjargon van rechters. Bij de behandeling van een zaak, is het belangrijk de feiten en termen te kennen en daarin onderscheid te kunnen maken. Want is doodslag hetzelfde als moord? Of nog moeilijker; wat is het verschil tussen een moord in de eerste graad en moord in de tweede graad?
In het uitspreken van de straf kan een groot verschil zitten wanneer een van de twee het geval is. De vraag is of een ‘doorsnee’ journalist van bijvoorbeeld de Metro dat verschil kent en daarmee ook rekening houdt in zijn of haar verslaggeving.
Doctor Elly Van Baren van de Universiteit Leiden stelt in haar proefschrift Macht, Media en Montesquieu dat rechters de media ook als belangrijke speler ervaren. Vooral strafzaken, zo vervolgt ze, kunnen rekenen op aandacht van de pers. ,,Rechters beklagen zich erover dat journalisten niet altijd een juiste uitleg van het proces en de uitspraak geven. Journalisten beklagen zich over de moeilijk te interpreteren rechterlijke uitspraken”, valt te lezen in haar opzet.
Wat ik hiermee wil aangeven, is dat het nauw luistert op welke wijze een journalist zijn of haar verslag naar buiten brengt en of het wel secuur is opgetekend. Dat laatste blijkt dus een twijfelgeval, al geldt dat uiteraard niet voor alle journalisten. Is dat wel het geval, dan betekent dat in mijn ogen gezichtsverlies voor de betreffende journalist, het medium waarvoor deze werkt en de journalistiek in zijn algemeen. Want journalistiek moet vooral iets zijn waar het lezers- of kijkerspubliek op moet kunnen vertrouwen. De juistheid ervan zou buiten kijf moeten staan. Hugo Arlman, zelf journalist, pleit op een weblog voor Nederlandse juristen (njblog.nl) zelfs op cynische toon voor een bijscholingsprogramma ‘Recht voor journalisten’ nu de meeste juristen verdwenen zijn bij kranten en televisie.
Overigens heeft het OM (Openbaar Ministerie) in 2009 een klacht ingediend tegen het blad Vrij Nederland bij de Raad voor de Journalistiek wegens onjuiste berichtgeving in een strafzaak en beschadiging van het OM zelf en personen binnen het OM. Opvallend: de klacht werd gegrond verklaard door de raad. 



Conclusie en slot

Als we de voorgaande voorbeelden in ogenschouw nemen, dan neig ik te zeggen dat een mediahype snel geboren is. Er is vanuit de beroepsgroep behoefte om nieuws te brengen en dat nieuws moet verkopen. In een artikel van journalist Edwin Feldmann valt te lezen dat de inkomsten van de media onder druk staan, het aantal lezers en kijkers dalen en de geloofwaardigheid aan slijtage onderhevig is (dit bleek tijdens het jaarlijkse congres van de Vereniging van Onderzoeksjournalisten). Nieuws moet dus nog meer dan ooit aantrekkelijk zijn zodat het ‘verkoopbaar’ wordt. Denk aan de media die foto’s publiceerden van Sander V. zonder balkje voor de ogen. Of aan de schreeuwerige koppen en extra bijlages van de Telegraaf waarin de artikelen van ‘Het monster van Riga’ de losse verkoop omhoog moesten duwen.

In het licht van de rest van mijn betoog, durf ik te beweren dat er in bepaalde gevallen sprake is van mediahypes. Belangrijk element hierin is het eerder genoemde principe van een opgeroepen frame door de media. Dat frame vormt het beeld dat de media van bijvoorbeeld een ramp of rechtszaak hebben gecreëerd en van waaruit wordt bericht. Tunnelvisie en eenzijdigheid dreigen hiervan uit te gaan. Het voorbeeld van de brand in het chemieconcern bij Moerdijk illustreert dat goed. Een grote brand wordt bestempeld als ramp en op het oog losstaande feiten worden gekoppeld aan de brand als zijnde onweerlegbare gevolgen (zoals de boer uit de omgeving van de brand die redeneerde dat zijn koeien niet voor niets diarree hadden; uit het artikel van Vasterman).
Een mediahype moet dus wel aan een aantal factoren voldoen voordat het zo genoemd kan worden. Typerend, is dat objectiviteit deels lijkt te verdwijnen wanneer zich een mediahype voordoet. Een verdachte is dan al snel de dader, zo doen sommige suggestieve teksten en koppen ons geloven.

Het spook van sensatielust dreigt hier voor de media en ik vind dat de (serieuze) media daar niet mee geassocieerd zou moeten worden. De media moet de samenleving de kans bieden om een rechtsgang te controleren en dient daarvoor vooral te registeren. Onderhuidse emoties van de auteur of krant moeten daarin niet al te zichtbaar zijn, omdat die een gevoel van partijdigheid opwekken.

Daarbij doet een mediahype in mijn ogen afbreuk aan de journalistieke waarden, omdat die al gauw veroordelend werkt. En ik vraag me hardop af of veroordelen nu een taak van de media is. Ik denk van niet. Media hebben de traditionele rol van registreren, monitoren en het geeft de feiten weer waarna een lezer of kijker zijn of haar conclusies kan trekken (als je die rol heel strikt neemt).
Door deze berichtgeving, bijvoorbeeld in de zaak rondom de automobilist, kan de maatschappij het strafproces mede controleren. Zo vindt ook Job Knoester. Strafzaken zijn in de regel daarom ook openbaar, een uitzondering daar gelaten. Die rol is belangrijk om een goed werkende en transparant functionerende democratie in stand te houden. Achterdocht bij het publiek wordt zo vermeden en een eerlijk verlopende rechtsgang kan zo gewaarborgd blijven.  


Passen binnen die rol dan wel kwalificaties als ‘Het Monster van Riga’? De Telegraaf is een gevestigd dagblad en ik denk daarom niet dat een dergelijk medium zich zou moeten uitdrukken in een dit soort termen. Het wekt de schijn van sensatiebelust te zijn en werkt, zoals ik eerder zei, veroordelend.

Hier tegenin wil ik ook benadrukken dat de vrijheid van pers een groot goed is, een verworvenheid die gevoelig licht wanneer eraan getoornd wordt. In artikel 7 van de grondwet is die persvrijheid geregeld waar de vrijheid van publicatie een onderdeel van is. Vrijheid van meningsuiting sluit hier op aan. In dit kader is het lastig en ook niet gewenst om die vrijheid in te perken. Dus begeef ik me op glad ijs als ik (te) veel kritiek hebben op de manier van berichtgeving van media binnen strafprocessen. De media beroepen zich, en ook terecht, op hun vrijheid van pers en meningsuiting.

Als ik refereer aan de kwaliteit en mate van verslaggeving binnen strafzaken, dan durf ik wel te stellen dat enige terughoudendheid soms best op zijn plaats is. Ik verwijs daarbij naar het voorbeeld dat Hugo Arlman geeft in zijn artikel. Het beschrijft de hetze vanuit de pers tegen de president van een rechtbank uit Middelburg omdat deze de voorlopige hechtenis van een verdachte had geschorst. Het publiek en de media vielen over hem heen, als ware hij zelf de dader was (mediahype). Gevoelig punt hierin; het betrof een gezinsdrama met drie doden tot gevolg.
Het gaat daarom in mijn optiek om de toon van de media, de manier van vertellen en mate van integriteit die de pers tentoonspreidt in haar berichtgeving over strafzaken.
Professionalisering van de media is daarin het sleutelwoord. Een sportcolumn in het AD of de Telegraaf wordt geschreven door oud-voetballers/sporters of door personen die zich in die wereld begeven. Ze ademen sport. Om een parallel met mijn onderwerp te trekken, vind ik het helemaal geen slecht idee om je als journalist te laten bijscholen in het vakgebied van de rechtspraak, zoals Arlman al eerder verwoordde. Of zoals Vasterman, die opperde om meer te investeren in deskundigheidsbevordering bij journalisten op het gebied van crisis, rampen en gezondheidsrisico’s.

Mediahypes ontstaan goed beschouwd in sommige gevallen als reactie op een belangwekkende gebeurtenis, waarin publiek en media elkaar aanvullen en de hype kunnen versterken. Een bepaalde verwachting (perceptie) wordt bevestigd door wat de media erover schrijft of laat zien op tv. Die mediahypes zullen zich in mijn optiek al wel blijven voordoen, het is inherent aan de media en journalistiek. Het is de taak van diezelfde media en journalistiek om zichzelf af en toe te corrigeren en terug te fluiten.